Verouderde browser

U gebruikt een verouderde browser. DNB.nl werkt het beste met:

03 april 2015 Toezicht Toezichtlabel Q&A

Vraag:

Hoe wordt het maximale dempingsrendement toegepast bij een gedempte kostendekkende premie met verwacht rendement?

Antwoord:

In artikel 4 lid 3 van het Besluit ftk zijn de voorwaarden opgenomen, waaronder premiedemping mogelijk is op basis van verwacht rendement. Het maximaal verwachte portefeuillerendement volgt uit de rendementsverwachtingen, kostenafslagen, standaarddeviaties en correlaties zoals vastgesteld in artikel 23a van het Besluit ftk. Doordat het rendement op risicovrije vastrentende waarden afhangt van de rentetermijnstructuur en daarmee verschilt per looptijd is er geen sprake van één vast maximaal verwacht portefeuillerendement, maar van een maximale rendementscurve, waarbij de hoogte van het verwacht rendement afhangt van de looptijd. Er wordt hierbij overigens geen gebruik gemaakt van projecties van de rentetermijnstructuur.

Een voorwaarde bij het dempen van de premie met het verwachte rendement volgens artikel 4 lid 3, aanhef en sub b van het Besluit ftk, is dat het rendement op vastrentende waarden voor 5 jaar moet worden vastgezet op basis van de actuele door DNB gepubliceerde rentetermijnstructuur bij aanvang van de periode. Het vastzetten van de rentetermijnstructuur heeft tot gevolg dat de maximale rendementscurve tijdens de 5-jaarsperiode constant blijft, behalve als gedurende deze periode er veranderingen in de strategische beleggingsportefeuille optreden. Wijzigingen in de strategische beleggingsportefeuille hebben geen invloed op het rendement op vastrentende waarden, maar omdat de samenstelling van de portefeuille verandert kan er wel sprake zijn van een andere maximale rendementscurve.

Bij demping van de kostendekkende premie met het verwachte rendement moet conform artikel 4 lid 3, aanhef en sub a van het Besluit ftk ook rekening gehouden worden met een opslag voor de toekomstbestendige toeslagverlening ter hoogte van minstens de verwachte prijsinflatie. Het gaat in dit geval om de eigen toeslagambitie van het fonds, met als minimum prijsinflatie.

Dit houdt in dat ook rekening gehouden moet worden met de opslag voor toeslagverlening als het fonds geen toeslagambitie heeft. Alleen als het fonds een regeling uitvoert met onvoorwaardelijke toeslagverlening ter hoogte van tenminste prijsinflatie hoeft geen rekening te worden gehouden met een opslag voor toeslagverlening, omdat de toeslagverlening dan al onderdeel is van de onvoorwaardelijke aanspraken.

Bij de berekening van de opslag voor toeslagverlening moet gebruik worden gemaakt van de minimale verwachtingswaarden zoals vastgesteld in artikel 23a, lid 1a en lid 2 van het Besluit ftk, waarbij rekening moet worden gehouden met een ingroeipad. De zogenaamde toeslagcurve die daarbij ontstaat, mag voor 5 jaar worden vastgezet.

De premie die volgt uit de maximale rendementscurve plus de opslag voor toeslagverlening vormt de ondergrens (de norm) voor de door het fonds vast te stellen gedempte kostendekkende premie. Het is fondsen toegestaan om met een lager dan maximale rendementscurve te rekenen of om te rekenen met één vast rendement in plaats van een rendementscurve, zolang de hieruit volgende premie ieder jaar groter of gelijk is dan de kostendekkende premie op basis van de maximale rendementscurve.

De kostendekkende premie moet gebaseerd zijn op een recente rentetermijnstructuur. Bij de definitieve bepaling van het portefeuillerendement en de uiteindelijke berekening van de kostendekkende premie mag de periode tussen vaststellen en daadwerkelijk doorvoeren daarvan niet te groot zijn. Zo zal bijvoorbeeld de premie voor het jaar 2016 tot en met 2020, die wordt vastgesteld in het vierde kwartaal van 2015, moeten worden berekend op basis van de op dat moment meest recente rentetermijnstructuur. Hiermee wordt voorkomen dat er grote verschillen kunnen ontstaan tussen de hoogte van de kostendekkende premie op het moment van vaststellen en de kostendekkende premie op het moment dat de premie daadwerkelijk voor het eerst wordt betaald.

De gehanteerde methode voor de vaststelling van de kostendekkende premie, inclusief de vaststelling van het dempingsrendement, wordt vastgelegd in de ABTN. Daarbij wordt aangetoond dat de kostendekkende premie die volgt uit de gehanteerde methodiek altijd groter of gelijk is aan de minimale gedempte kostendekkende premie op basis van de maximale rendementscurve.

Zie voor de berekening van het maximale portefeuillerendement de Q&A berekening portefeuillerendement herstelplannen en kostendekkende premie

sector

  • Pensioenfondsen