Verouderde browser

U gebruikt een verouderde browser. DNB.nl werkt het beste met:

Q&A Beoordelingstermijn DNB bij invaarbesluiten

WTP Q&A

Vraag:

Binnen welke termijn moet De Nederlandsche Bank (DNB) een melding van interne collectieve waardeoverdracht (invaarmelding) als bedoeld in artikel 150m Pensioenwet beoordelen?

Gepubliceerd: 20 oktober 2023

Laatste update: 14 mei 2024

Bekijk eerdere versies in het archief

Antwoord:

De beoordelingstermijn start op het moment dat de invaarmelding op de voorgeschreven wijze door DNB ontvangen is en loopt tot de datum van de beoogde waardeoverdracht. Tussen de melding en de beoogde datum van waardeoverdracht moet, op grond van artikel 150m, tweede lid, van de Pensioenwet (Pw), ten minste zes maanden zitten. De wettelijke beslistermijn is daarmee afhankelijk van de periode die ligt tussen de invaarmelding en de datum van de beoogde waardeoverdracht. Deze termijn bedraagt in ieder geval zes maanden maar kan dus ook langer zijn.

Voorts heeft DNB, op grond van artikel 150m, tweede lid, Pw de bevoegdheid de termijn van zes maanden gemotiveerd te verlengen met maximaal twee maal drie maanden. DNB kan gemotiveerd besluiten tot verlenging indien in een individueel geval meer tijd nodig is om de melding te beoordelen en deze beoordeling niet afgerond kan worden voor de beoogde overdrachtsdatum.

DNB heeft ten slotte de bevoegdheid om de beoordelingstermijn op grond van artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op te schorten, bijvoorbeeld als voor de beoordeling noodzakelijke informatie moet worden opgevraagd bij het pensioenfonds.

Toelichting

In deze Q&A geeft DNB duidelijkheid over de uiterste wettelijke termijn waarbinnen DNB een besluit moet nemen over een invaarmelding. Deze uiterste wettelijke termijn dient te worden onderscheiden van de door DNB nagestreefde doorlooptijd voor de beoordeling van een invaarmelding. Informatie over het proces van beoordeling van een invaarmelding door DNB en de daarbij door DNB nagestreefde doorlooptijd vindt u hier

Op grond van artikel 150m, tweede lid, Pw dient een pensioenfonds het voornemen tot waardeoverdracht onverwijld nadat het besluit tot waardeoverdracht is genomen, maar uiterlijk zes maanden voor de beoogde datum van waardeoverdracht, elektronisch te melden bij DNB. Onverwijld betekent dat een pensioenfonds zonder uitstel de melding bij DNB verricht. DNB verwacht dat een pensioenfonds de melding daarom binnen twee weken na besluitvorming bij DNB verricht, zie ook artikel 7 van de Regeling melden interne collectieve waardeoverdracht pensioenfondsen bij transitie.

Er is pas sprake van een melding als bedoeld in artikel 150m, tweede lid, Pw, indien een pensioenfonds een volledige melding bij DNB heeft gedaan. Dat houdt in dat de melding op de voorgeschreven wijze en met de voorgeschreven informatie bij DNB is ingediend. Zie hiervoor ook de Q&A Wanneer is sprake van een melding als bedoeld in artikel 150m Pensioenwet?

DNB kan in beginsel vanaf de melding tot de beoogde datum van waardeoverdracht een verbod tot collectieve waardeoverdracht opleggen. Tussen de datum van melding en de beoogde datum van collectieve waardeoverdracht dient minimaal zes maanden te liggen. Als het pensioenfonds een besluit tot collectieve waardeoverdracht meer dan zes maanden voor de beoogde overdrachtsdatum neemt, dient het pensioenfonds toch onverwijld de melding te doen bij DNB. In dat geval is de periode tussen melding en beoogde overdrachtsdatum, en daarmee ook de formele beoordelingstermijn voor DNB, langer dan zes maanden.

In individuele gevallen kan het zijn dat er meer tijd nodig is om de melding te beoordelen. In dat geval kan DNB op grond van artikel 150m, tweede lid, Pw de beoordelingstermijn gemotiveerd met twee maal drie maanden verlengen.

DNB is voorts bevoegd om op grond van artikel 4:15 Awb de beoordelingstermijn op te schorten. Dit is met name aan de orde als DNB nadere informatie of documentatie bij het pensioenfonds opvraagt die door DNB als noodzakelijk wordt geacht voor de beoordeling. DNB zal het pensioenfonds dan om de ontbrekende informatie vragen en daarvoor een termijn stellen. De beoordelingstermijn wordt onderbroken totdat de informatie ontvangen is of de termijn verstreken.

Op grond van bovenstaande heeft een verlenging en/of opschorting van de beoordelingstermijn tot gevolg dat de uiterste wettelijke beoordelingstermijn van DNB na de beoogde datum van waardeoverdracht eindigt. Indien DNB de beoordeling in een voorkomend geval niet voor de beoogde datum van waardeoverdracht afrondt, kan de waardeoverdracht niet plaatsvinden op de beoogde datum.

Voor de status van deze beleidsuiting en uitleg daarover kunt u de leeswijzer beleidsuitingen DNB raadplegen.

Wettelijk kader

  • Artikel 150m Pensioenwet
  • Artikel 145l Wvb