Verouderde browser

U gebruikt een verouderde browser. DNB.nl werkt het beste met:

19 oktober 2017 Toezicht

Toezicht

Om voor een vergunning in aanmerking te komen, moet een middelgrote kredietunie voldoen aan de vergunningvereisten die de Wet op het financieel toezicht (Wft) stelt. De Nederlandsche Bank (DNB) toetst bij de behandeling van de vergunningaanvraag of aan deze vereisten is voldaan. Na vergunningverlening moet de kredietunie doorlopend aan deze eisen voldoen.

De meeste vergunningvereisten zijn nader uitgewerkt in het Besluit prudentiële regels Wft (Bpr). Hieronder geven we een korte toelichting op de vergunningvereisten voor kredietunies.

Verplichte rechtsvorm van coöperatie

Een kredietunie moet de rechtsvorm van een coöperatie (dat wil zeggen een coöperatieve vereniging) hebben. Dit volgt uit de definitie van “kredietunie” in artikel 1:1 Wft.

Betrouwbaarheid en geschiktheid bestuurders en commissarissen (artikel 3:8 Wft en 3:9 Wft en Hoofdstuk 2 Bpr)

Op grond van artikel 3:8 Wft dienen de bestuurders, commissarissen (voor zover aanwezig) en personen die het dagelijks beleid (mede) bepalen, geschikt te zijn in verband met de uitoefening van het bedrijf van de kredietunie. Hiernaast dient op grond van artikel 3:9 Wft de betrouwbaarheid van de bestuurders, commissarissen en personen die het beleid (mede) bepalen buiten twijfel te staan. DNB toetst de betrouwbaarheid en geschiktheid van bestuurders, commissarissen en beleidsbepalers. Bij de vergunningaanvraag moet u dan ook ingevulde formulieren betrouwbaarheidstoetsing inclusief bijlagen indienen. Deze moeten worden ingevuld door het bestuur en de raad van commissarissen. Daarnaast dienen degenen die het (dagelijks) beleid van de kredietunie of van de groep waartoe de kredietunie behoort, bepalen of mede bepalen het formulier in te vullen.

Adequaat beleid ter waarborging integere bedrijfsvoering (3:10 Wft en Hoofdstuk 3 Bpr)

Op grond van artikel 3:10 Wft moet de kredietunie adequaat beleid voeren, zodat een integere uitoefening van het bedrijf wordt gewaarborgd. Met een integere bedrijfsuitoefening bedoelen we dat er geen belangenverstrengelingen zijn; dat wordt tegengegaan dat de kredietunie of haar werknemers strafbare feiten of andere wetsovertredingen begaan; dat wordt tegengegaan dat wegens haar leden het vertrouwen in de kredietunie of in de financiële markten kan worden geschaad; en dat wordt tegengegaan dat de onderneming of haar werknemers andere handelingen verrichten die maatschappelijk ongewenst zijn. Een kredietunie dient te beschikken over beleid, procedures en maatregelen die bij de vergunningaanvraag moeten worden overgelegd aan DNB.

Zeggenschapsstructuur (artikel 3:15 en 3:16 Wft)

Artikel 3:15 Wft schrijft voor dat het dagelijks beleid van een kredietunie door ten minste twee personen wordt bepaald. Deze personen dienen hun werkzaamheden vanuit Nederland te verrichten. In artikel 3:16 Wft is opgenomen dat de zeggenschapsstructuur geen belemmering mag vormen voor het toezicht van DNB. Dat brengt met zich mee dat de zeggenschapstructuur voldoende duidelijk en doorzichtig moet zijn.

Een beheerste en integere uitoefening van beleid (artikel 3:17 en 3:17b Wft en Hoofdstuk 3 & 4 Bpr)

Op grond van artikel 3:17 Wft dient de bedrijfsvoering van de kredietunie zo ingericht te worden, dat dit zorgt voor een beheerste en integere bedrijfsuitoefening. Dit houdt in dat bedrijfsprocessen en bedrijfsrisico’s beheerst dienen te worden en dat de integriteit van de onderneming en werknemers (zoals hierboven onder het punt ‘adequaat beleid ter waarborging integere bedrijfsvoering’) wordt gewaarborgd. De integriteit van de kredietunie wordt gewaarborgd door een systematische analyse van de integriteitsrisico’s te maken. Financiële risico’s en andere risico’s die de soliditeit van de kredietunie kunnen aantasten, worden adequaat beheerst en hiervoor beschikt de kredietunie over beleid, procedures en maatregelen. Ook moet er sprake zijn van een duidelijke, evenwichtige en adequate organisatiestructuur met een duidelijke, evenwichtige en adequate verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Hiernaast moeten rechten en verplichtingen adequaat zijn vastgelegd. Bovendien dient de kredietunie te beschikken over procedures en maatregelen die waarborgen dat de personen die daartoe verplicht zijn, een eed of belofte afleggen.

Maximale hoeveelheid opvorderbare gelden en aantal leden (artikel 3:38c Wft en artikel 20j Uitvoeringsregeling Wft)

Een kredietunie heeft een maximaal bedrag van aangetrokken opvorderbare gelden van EUR 100 miljoen en een maximaal aantal leden van 25.000.

Minimum eigen vermogen (artikel 3:53 Wft & Hoofdstuk 9 Bpr)

Een kredietunie moet over een minimum bedrag van EUR 1 miljoen aan eigen vermogen beschikken. In artikel 26, eerste lid, onderdelen a tot en met e van de verordening kapitaalvereisten (Capital Requirements Regulation – CRR; Verordening (EU) nr. 575/2013), worden de vermogensbestanddelen opgesomd waaruit het vermogen wordt gevormd: ingehouden winsten, gecumuleerde niet-gerealiseerde resultaten en andere reserves.

Solvabiliteit (artikel 3:57 Wft en Hoofdstuk 10 Bpr)

De verplichting om solvabel te zijn, is erop gericht dat kredietunies voldoende vermogen aanhouden ten opzichte van de omvang van hun verplichtingen en de aard en grootte van hun bedrijfsrisico’s. Doel hiervan is deze ondernemingen in staat te stellen ongunstige ontwikkelingen te kunnen opvangen. De minimumomvang van het toetsingsvermogen van een kredietunie om de solvabiliteit te berekenen, bedraagt 10% van de totale risicoblootstelling.

Liquiditeit (artikel 3:63 Wft en Hoofdstuk 11 Bpr)

Een kredietunie moet over voldoende liquiditeit beschikken. De vereiste liquiditeit bedraagt de som van de gewogen uitgaande kasstromen op basis van de kalenderposten, vermeerderd met de niet in de vervalkalender opgenomen gewogen toevertrouwde middelen en overige posten die opgevraagd kunnen worden of tot een betalingsverplichting kunnen leiden, gedurende de maandperiode.