Update FATF-waarschuwingslijsten juni 2026
23 juni 2026
Nieuwsbericht toezicht
FATF heeft een update van haar ‘grijze’ en ‘zwarte’ lijsten gepubliceerd.
Lees meer Update FATF-waarschuwingslijsten juni 2026Deze factsheet beschrijft de wettelijke regels over de risicohouding zoals aangepast in het kader van de Wet Toekomst Pensioenen. Deze beschrijving volgt de vier fasen van het proces van de vaststelling en toetsing van de risicohouding door pensioenuitvoerders. Deze fasen zijn opgesomd in artikel 14t Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling (Besluit uitvoering Pw en Wvb).
Gepubliceerd: 29 juni 2023
Artikel 1 Pensioenwet (Pw) definieert risicohouding als: “De vastgestelde mate waarin een groep deelnemers, gewezen deelnemers of pensioengerechtigden bereid is beleggingsrisico’s te lopen met oog op hun doelstellingen en de mate waarin deze groep beleggingsrisico’s kan dragen gegeven de kenmerken van deze groep”. Op grond van artikel 14d Besluit uitvoering Pw en Wvb moeten pensioenuitvoerders het beleggingsbeleid baseren op de risicohouding van de deelnemers, gewezen deelnemers of pensioengerechtigden.
De vaststelling en de toetsing van de risicohouding vindt plaats in vier fasen, zoals opgenomen in artikel 14t lid 6 van het Besluit uitvoering Pw en Wvb:
Het gaat bij de fasen om volgtijdige stappen en verantwoordelijkheden. De chronologische fasering benadrukt dat een volgende fase in het proces grotendeels van de eerdere fase(s) afhangt. Zoals beschreven in de Memorie van Toelichting bij de Wet toekomst pensioenen kan er in de praktijk bij de vertaling van de risicohouding in het beleggingsbeleid of de toedelingsregels (fase c) sprake zijn van iteratief proces om te komen tot een invulling die passend is bij de in fase b vastgestelde risicohouding.
Het risicopreferentie-onderzoek onderzoekt de mate waarin een groep deelnemers, gewezen deelnemers of pensioengerechtigden bereid is beleggingsrisico’s te lopen met het oog op hun doelstellingen. Bij de vaststelling van de uitvraag voor het risicopreferentie-onderzoek wordt rekening gehouden met de mate waarin deze groep beleggingsrisico’s kan dragen gegeven de kenmerken van de groep. De inrichting van het risicopreferentie-onderzoek is zodanig dat naar verwachting voor ieder (leeftijds)cohort voldoende representatieve individuele uitkomsten opgehaald worden. De AFM houdt toezicht op het risicopreferentie-onderzoek.
Een pensioenuitvoerder maakt bij het vaststellen van de risicohouding in ieder geval onderscheid naar leeftijdscohorten en stelt per (leeftijds)cohort een risicohouding vast. Dit volgt uit artikel 52b Pw. De risicohouding per (leeftijds)cohort komt tot uitdrukking in de volgende drie maatstaven zoals opgenomen in artikel 14u Besluit uitvoering Pw en Wvb:
Artikel 14t, lid 3, Besluit uitvoering Pw en Wvb bepaalt dat het vaststellen van de risicohouding wordt gebaseerd op in ieder geval de uitkomsten van het risicopreferentie-onderzoek, deelnemerskenmerken en wetenschappelijke inzichten. De pensioenuitvoerder onderbouwt hoe en in welke mate deze elementen hebben bijgedragen aan de risicohouding. Deze weging kan kwalitatief worden gemaakt en hoeft dus niet kwantitatief te zijn. Artikel 14t, lid 4, Besluit uitvoering Pw en Wvb bepaalt dat bij het vaststellen van de risicohouding voor ieder (leeftijds)cohort rekening wordt gehouden met de duur van de periode tot aan de pensioendatum, waarbij het beleggingsrisico in beginsel kleiner wordt naarmate de pensioendatum nadert. De blootstelling aan beleggingsrisico kan gelijk blijven tussen opeenvolgende geboortejaren binnen een (leeftijds)cohort of als het beleggingsrisico op het maximaal toegestane niveau zit (150%) voor deze geboortejaren.
Het bestuur van een pensioenfonds draagt na overleg met de organen van het pensioenfonds zorg voor de vastlegging van de risicohouding van het pensioenfonds. Een verzekeraar of premiepensioeninstelling streeft ernaar van de deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden of hun vertegenwoordigers zo veel mogelijk duidelijkheid te krijgen over de risicohouding. Dit volgt uit artikel 102a Pw en artikel 14t, lid 2, Besluit uitvoering Pw en Wvb.
Een (leeftijds)cohort heeft op grond van artikel 14t, lid 5, Besluit uitvoering Pw en Wvb in beginsel een maximale omvang van vijf geboortejaren. In afwijking hiervan kan een (leeftijds)cohort betrekking hebben op een groter aantal geboortejaren als de pensioenuitvoerder op basis van het risicopreferentie-onderzoek, de deelnemerskenmerken en wetenschappelijke inzichten onderbouwt dat dit in het belang is van de deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden of pensioengerechtigden.
Pensioenuitvoerders leggen de risicohouding en de onderbouwing van de wijze waarop tot die risicohouding is gekomen vast. Pensioenfondsen nemen op grond van artikel 145 Pw de beschrijving van de risicohouding op in de actuariële en bedrijfstechnische nota.
Op grond artikel 14d lid 1, Besluit uitvoering Pw en Wvb stelt een pensioenfonds voor de langere termijn een strategisch beleggingsbeleid vast dat aansluit op de vastgestelde risicohouding per (leeftijds)cohort. Bij uitvoering van de solidaire premieovereenkomst dienen ook de vastgestelde toedelingsregels aan te sluiten bij de vastgestelde risicohoudingen per (leeftijds)cohort. Het gebruik van de door DNB beschikbaar gestelde uniforme scenarioset, bedoeld in artikel 23b van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, is niet verplicht bij het bepalen van het strategisch beleggingsbeleid en eventuele toedelingsregels. Een pensioenfonds kan bij de vaststelling daarvan gebruik maken van ‘eigen’ scenariosets en analyses bijvoorbeeld in een ALM omgeving.
Bij de uitvoering van een premieovereenkomst in de opbouwfase, een premie-uitkeringsovereenkomst voor zover de premie wordt belegd of een variabele uitkering is de pensioenuitvoerder verantwoordelijk voor de beleggingen en voert een beleggingsbeleid overeenkomstig de prudent person regel. Bij de uitvoering van dit beleggingsbeleid wordt rekening gehouden met de risicohouding van de deelnemers, gewezen deelnemers of pensioengerechtigden.
De pensioenuitvoerder die verantwoordelijk is voor de beleggingen toetst op grond van artikel 14d, lid 1, Besluit uitvoering Pw en Wvb minimaal jaarlijks op basis van een scenarioanalyse of het beleggingsbeleid of de toedelingsregels bij een solidaire premieregeling passend zijn bij de vastgestelde risicohouding. De pensioenuitvoerder past het beleggingsbeleid en de toedelingsregels aan als dat niet het geval is. Voor de scenario-analyse maakt de pensioenuitvoerder gebruik van de door DNB beschikbaar gestelde uniforme scenarioset, bedoeld in artikel 23b van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen.
Risicohouding bij beëindigde uitkeringsovereenkomst/-regeling of vastgestelde uitkeringen
Als een pensioenfonds vastgestelde uitkeringen of een beëindigde uitkeringsovereenkomst of uitkeringsregeling uitvoert, dan:
Voor de status van deze beleidsuiting en uitleg daarover kunt u de leeswijzer beleidsuitingen DNB raadplegen.
23 juni 2026
Nieuwsbericht toezicht
FATF heeft een update van haar ‘grijze’ en ‘zwarte’ lijsten gepubliceerd.
Lees meer Update FATF-waarschuwingslijsten juni 2026
23 juni 2026
22 juni 2026
Nieuwsbericht toezicht
Deze week ontvangt u mogelijk een mail van DNB. Deze mail gaat over technische aanpassingen die nodig zijn om te kunnen blijven mailen met DNB.
Lees meer DNB-mail over technische aanpassingen
22 juni 2026
10 juni 2026
Nieuwsbericht toezicht
DNB dankt de sector voor de open en transparante opstelling in de recente gesprekken over de WIA en in het verlengde daarvan de WGA-ERD.
Lees meer Terugkoppeling Risico-Identificerende gesprekken inzake WIA
10 juni 2026
09 juni 2026
Nieuwsbericht toezicht
Op 17 november 2026 organiseert De Nederlandsche Bank de Verzekeringsmiddag 2026 in theater Spant! in Bussum.
Lees meer Save the date: Verzekeringsmiddag 2026
09 juni 2026
Om de gebruiksvriendelijkheid van onze website te optimaliseren, maken wij gebruik van cookies.
Lees meer over de cookies die wij gebruiken en de gegevens die we daarmee verzamelen in onze cookie-policy.