Verouderde browser

U gebruikt een verouderde browser. DNB.nl werkt het beste met:

Factsheet: Risicohouding pensioenuitvoerders

WTP Factsheet

Gepubliceerd: 29 juni 2023

Bekijk eerdere versies in het archief

Deze factsheet beschrijft de wettelijke regels over de risicohouding zoals aangepast in het kader van de Wet Toekomst Pensioenen. Deze beschrijving volgt de vier fasen van het proces van de vaststelling en toetsing van de risicohouding door pensioenuitvoerders. Deze fasen zijn opgesomd in artikel 14t Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling (Besluit uitvoering Pw en Wvb).

Definitie risicohouding

Artikel 1 Pensioenwet (Pw) definieert risicohouding als: “De vastgestelde mate waarin een groep deelnemers, gewezen deelnemers of pensioengerechtigden bereid is beleggingsrisico’s te lopen met oog op hun doelstellingen en de mate waarin deze groep beleggingsrisico’s kan dragen gegeven de kenmerken van deze groep”. Op grond van artikel 14d Besluit uitvoering Pw en Wvb moeten pensioenuitvoerders het beleggingsbeleid baseren op de risicohouding van de deelnemers, gewezen deelnemers of pensioengerechtigden.

Fasen bij vaststelling en toetsing van de risicohouding

De vaststelling en de toetsing van de risicohouding vindt plaats in vier fasen, zoals opgenomen in artikel 14t lid 6 van het Besluit uitvoering Pw en Wvb:

  1. het risicopreferentie-onderzoek
  2. de weging van de informatie uit de bronnen risicopreferentie-onderzoek, deelnemerskenmerken en wetenschappelijke inzichten om tot vaststelling van de risicohouding te komen
  3. de vertaling van de risicohouding in beleggingsbeleid of toedelingsregels door een ALM-analyse
  4. de jaarlijkse toetsing van de risicoblootstelling aan de risicohouding.

Het gaat bij de fasen om volgtijdige stappen en verantwoordelijkheden. De chronologische fasering benadrukt dat een volgende fase in het proces grotendeels van de eerdere fase(s) afhangt. Zoals beschreven in de Memorie van Toelichting bij de Wet toekomst pensioenen kan er in de praktijk bij de vertaling van de risicohouding in het beleggingsbeleid of de toedelingsregels (fase c) sprake zijn van iteratief proces om te komen tot een invulling die passend is bij de in fase b vastgestelde risicohouding.

Fase a: het risicopreferentie-onderzoek (artikel 14v Besluit uitvoering Pw en Wvb)

Het risicopreferentie-onderzoek onderzoekt de mate waarin een groep deelnemers, gewezen deelnemers of pensioengerechtigden bereid is beleggingsrisico’s te lopen met het oog op hun doelstellingen. Bij de vaststelling van de uitvraag voor het risicopreferentie-onderzoek wordt rekening gehouden met de mate waarin deze groep beleggingsrisico’s kan dragen gegeven de kenmerken van de groep. De inrichting van het risicopreferentie-onderzoek is zodanig dat naar verwachting voor ieder (leeftijds)cohort voldoende representatieve individuele uitkomsten opgehaald worden. De AFM houdt toezicht op het risicopreferentie-onderzoek.

Fase b: vaststelling van de risicohouding (artikelen 14t en 14u Besluit uitvoering Pw en Wvb)

Een pensioenuitvoerder maakt bij het vaststellen van de risicohouding in ieder geval onderscheid naar leeftijdscohorten en stelt per (leeftijds)cohort een risicohouding vast. Dit volgt uit artikel 52b Pw. De risicohouding per (leeftijds)cohort komt tot uitdrukking in de volgende drie maatstaven zoals opgenomen in artikel 14u Besluit uitvoering Pw en Wvb:

  1. de risicomaatstaf
  2. de verwachtingsmaatstaf
  3. de lange termijn risicomaatstaf in de uitkeringsfase. Deze maatstaf is alleen vereist als sprake is van mechanismen die risico naar de toekomst verplaatsen zoals een aangepast projectierendement of spreiding van schokken.

Artikel 14t, lid 3, Besluit uitvoering Pw en Wvb bepaalt dat het vaststellen van de risicohouding wordt gebaseerd op in ieder geval de uitkomsten van het risicopreferentie-onderzoek, deelnemerskenmerken en wetenschappelijke inzichten. De pensioenuitvoerder onderbouwt hoe en in welke mate deze elementen hebben bijgedragen aan de risicohouding. Deze weging kan kwalitatief worden gemaakt en hoeft dus niet kwantitatief te zijn. Artikel 14t, lid 4, Besluit uitvoering Pw en Wvb bepaalt dat bij het vaststellen van de risicohouding voor ieder (leeftijds)cohort rekening wordt gehouden met de duur van de periode tot aan de pensioendatum, waarbij het beleggingsrisico in beginsel kleiner wordt naarmate de pensioendatum nadert. De blootstelling aan beleggingsrisico kan gelijk blijven tussen opeenvolgende geboortejaren binnen een (leeftijds)cohort of als het beleggingsrisico op het maximaal toegestane niveau zit (150%) voor deze geboortejaren.

Het bestuur van een pensioenfonds draagt na overleg met de organen van het pensioenfonds zorg voor de vastlegging van de risicohouding van het pensioenfonds. Een verzekeraar of premiepensioeninstelling streeft ernaar van de deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden of hun vertegenwoordigers zo veel mogelijk duidelijkheid te krijgen over de risicohouding. Dit volgt uit artikel 102a Pw en artikel 14t, lid 2, Besluit uitvoering Pw en Wvb.

Een (leeftijds)cohort heeft op grond van artikel 14t, lid 5, Besluit uitvoering Pw en Wvb in beginsel een maximale omvang van vijf geboortejaren. In afwijking hiervan kan een (leeftijds)cohort betrekking hebben op een groter aantal geboortejaren als de pensioenuitvoerder op basis van het risicopreferentie-onderzoek, de deelnemerskenmerken en wetenschappelijke inzichten onderbouwt dat dit in het belang is van de deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden of pensioengerechtigden.

Pensioenuitvoerders leggen de risicohouding en de onderbouwing van de wijze waarop tot die risicohouding is gekomen vast. Pensioenfondsen nemen op grond van artikel 145 Pw de beschrijving van de risicohouding op in de actuariële en bedrijfstechnische nota.

Fase c: vertaling van de risicohouding in strategisch beleggingsbeleid of toedelingsregels

Op grond artikel 14d lid 1, Besluit uitvoering Pw en Wvb stelt een pensioenfonds voor de langere termijn een strategisch beleggingsbeleid vast dat aansluit op de vastgestelde risicohouding per (leeftijds)cohort. Bij uitvoering van de solidaire premieovereenkomst dienen ook de vastgestelde toedelingsregels aan te sluiten bij de vastgestelde risicohoudingen per (leeftijds)cohort. Het gebruik van de door DNB beschikbaar gestelde uniforme scenarioset, bedoeld in artikel 23b van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, is niet verplicht bij het bepalen van het strategisch beleggingsbeleid en eventuele toedelingsregels. Een pensioenfonds kan bij de vaststelling daarvan gebruik maken van ‘eigen’ scenariosets en analyses bijvoorbeeld in een ALM omgeving.

Bij de uitvoering van een premieovereenkomst in de opbouwfase, een premie-uitkeringsovereenkomst voor zover de premie wordt belegd of een variabele uitkering is de pensioenuitvoerder verantwoordelijk voor de beleggingen en voert een beleggingsbeleid overeenkomstig de prudent person regel. Bij de uitvoering van dit beleggingsbeleid wordt rekening gehouden met de risicohouding van de deelnemers, gewezen deelnemers of pensioengerechtigden.

Fase d: de jaarlijkse toetsing van de risicoblootstelling aan de risicohouding

De pensioenuitvoerder die verantwoordelijk is voor de beleggingen toetst op grond van artikel 14d, lid 1, Besluit uitvoering Pw en Wvb minimaal jaarlijks op basis van een scenarioanalyse of het beleggingsbeleid of de toedelingsregels bij een solidaire premieregeling passend zijn bij de vastgestelde risicohouding. De pensioenuitvoerder past het beleggingsbeleid en de toedelingsregels aan als dat niet het geval is. Voor de scenario-analyse maakt de pensioenuitvoerder gebruik van de door DNB beschikbaar gestelde uniforme scenarioset, bedoeld in artikel 23b van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen.

Risicohouding bij beëindigde uitkeringsovereenkomst/-regeling of vastgestelde uitkeringen
Als een pensioenfonds vastgestelde uitkeringen of een beëindigde uitkeringsovereenkomst of uitkeringsregeling uitvoert, dan:

  • voldoet de risicohouding aan de prudent person regel
  • komt de risicohouding voor de lange termijn tot uitdrukking in de door het pensioenfonds gekozen ondergrenzen in het kader van de haalbaarheidstoets
  • en komt de risicohouding voor de korte termijn tot uitdrukking in de hoogte van het vereist eigen vermogen of een bandbreedte hiervoor.

Voor de status van deze beleidsuiting en uitleg daarover kunt u de leeswijzer beleidsuitingen DNB raadplegen.

Relevante wet- en regelgeving

  • Artikel 1 Pensioenwet (Pw)
  • Artikel 10a Pw
  • Artikel 35 Pw
  • Artikel 52a Pw
  • Artikel 52b Pw
  • Artikel 102a lid 1, jo. lid 3 Pw
  • Artikel 145 Pw
  • Artikel 1 Wet verplichte beroepspensioenregeling (Wvb)
  • Artikel 21 Wvb
  • Artikel 28a Wvb
  • Artikel 63b Wvb
  • Artikel 109a Wvb
  • Artikel 140 Wvb
  • Artikel 14d Besluit Uitvoering Pw en WVb
  • Artikel 14t Besluit Uitvoering Pw en WVb
  • Artikel 14v Besluit Uitvoering Pw en WVb
  • Artikel 28d Besluit Uitvoering Pw en WVb