Verouderde browser

U gebruikt een verouderde browser. DNB.nl werkt het beste met:

Opdrachtaanvaarding en besluitvorming pensioenfondsen over transitie

WTP Factsheet

Gepubliceerd: 29 juni 2023

Bekijk eerdere versies in het archief

Besluitvorming sociale partners en pensioenfonds over de transitie

Bij wijziging van de pensioenregeling om te voldoen aan de Wet toekomst pensioenen doorlopen vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers (de sociale partners) en het pensioenfonds een besluitvormingsproces. Sociale partners maken afspraken over het wijzigen van de pensioenregeling (waaronder de keuze uit de solidaire of de flexibele premieregeling), over het al dan niet invaren van de bestaande pensioenaanspraken en pensioenrechten in de nieuwe pensioenregeling en over compensatie.

Sociale partners leggen hun keuzes, overwegingen en berekeningen die ten grondslag liggen aan deze afspraken en de verantwoording waarom sprake is van een evenwichtige transitie schriftelijk vast in een transitieplan. Het transitieplan bevat de transitie-effecten van de wijziging van de pensioenovereenkomst en van de wijze waarop wordt omgegaan met opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten voor deelnemers, gewezen deelnemers, gewezen partners en pensioengerechtigden berekend per leeftijdscohort. De transitie-effecten worden in ieder geval berekend met netto-profijt-berekeningen (in veel gevallen bij wijziging van een bestaande premieregeling met bruto-profijt-berekeningen) en met pensioenverwachting op basis van scenario’s. Sociale partners kunnen bij de verantwoording van de evenwichtigheid aanvullend nog additionele analyses gebruiken.

Sociale partners geven het pensioenfonds vervolgens aan de hand van het transitieplan de opdracht tot uitvoering van de nieuwe pensioenregeling, inclusief een eventueel verzoek tot invaren. De pensioenuitvoerder stelt het transitieplan op zijn website beschikbaar voor de deelnemer, gewezen deelnemer, gewezen partner en pensioengerechtigde.

Formele opdrachtaanvaarding van de pensioenregeling en het invaarverzoek

Voorafgaand aan de formele opdrachtaanvaarding draagt het bestuur van een pensioenfonds na overleg met de overige organen van het pensioenfonds zorg voor de vastlegging van de risicohouding en van de doelstellingen en beleidsuitgangspunten van het pensioenfonds. Het bestuur toetst bij de opdrachtaanvaarding aan de vastgelegde doelstellingen en beleidsuitgangspunten van het pensioenfonds en de risicohouding. In artikel 115, lid 13 Pensioenwet (Pw) is opgenomen dat als een leeftijdscohort is ondervertegenwoordigd in het verantwoordingsorgaan, pensioenfondsen bij het uitvragen van de risicohouding de leden van dit leeftijdscohort dat ondervertegenwoordigd is in het verantwoordingsorgaan actief vragen zich aan te melden voor het verantwoordingsorgaan. Deze norm geldt met ingang van de inwerkingtreding van de Wet toekomst Pensioenen en heeft geen terugwerkende kracht.

Het pensioenfonds betrekt het transitieplan van sociale partners bij de eigen besluitvorming over de opdrachtaanvaarding en het eventuele verzoek tot invaren. Het pensioenfonds hoeft het transitieplan – in het kader van de opdrachtaanvaarding – niet formeel te accepteren, het is een informatiebron voor de opdrachtaanvaarding.

Een pensioenfonds legt in het implementatieplan vast hoe invulling zal worden gegeven aan de uitvoering van de gewijzigde pensioenovereenkomst, waaronder de wijze waarop zal worden omgegaan met opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten. Ten slotte informeert het pensioenfonds de sociale partners over de opdrachtaanvaarding door middel van de opdrachtbevestiging.

Voor een beheerste en evenwichtige transitie is het belangrijk dat sociale partners en pensioenfonds voorafgaand aan het opstellen van een transitieplan en implementatieplan afspraken maken die robuust zijn voor financiële en economische ontwikkelingen in de tussenliggende periode (zogenaamde ‘complete’ besluitvorming). Zonder dergelijke afspraken bestaat het risico dat op het latere moment van de feitelijke transitie nadere besluitvorming nodig is om de transitie uit te voeren. Deze complete besluitvorming wordt in zowel het transitieplan als het implementatieplan opgenomen.

Bij de opdrachtaanvaarding beoordeelt het pensioenfonds, aan de hand van de gewijzigde pensioenovereenkomst en het transitieplan, of het de pensioenregeling en het eventuele invaarverzoek kan uitvoeren met inachtneming van toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder de evenwichtige belangenafweging en de beheerste en integere bedrijfsvoering. Bij deze beoordeling maakt het pensioenfonds ook gebruik van het implementatieplan waarin onder meer wordt ingegaan op de technische uitvoerbaarheid en de risicobeheersmaatregelen die worden getroffen in verband met de uitvoering van de pensioenovereenkomst.

De organen van een pensioenfonds gebruiken de doelstellingen en beleidsuitgangspunten waaronder de risicohouding bij de toetsing van de opdrachtaanvaarding en bij de besluitvorming, de verantwoording, de advisering en het toezicht binnen het pensioenfonds.

Standaard invaarpad

Een uitgangspunt van de Wet toekomst pensioenen is het ‘standaard invaarpad’: de nieuwe pensioenopbouw en de tot aan het transitiemoment opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten worden zo veel mogelijk bij elkaar gehouden in één pensioenregeling bij het pensioenfonds. Voor de waardering van pensioenaanspraken en pensioenrechten bij een collectieve waardeoverdracht als bedoeld in artikel 150m Pw en het aanwenden van het vermogen maakt een pensioenfonds op grond van artikel 150n, eerste lid Pw gebruik van de standaardmethode of de vba-methode indien deze vba-methode beter de bijzondere kenmerken van de pensioenregeling en het pensioenfonds modelleert en het pensioenfonds het toepassen van de vba-methode onderbouwt in het implementatieplan.

Artikel 150l Pw voorziet in twee scenario’s om af te wijken van het ‘standaard invaarpad’:

  1. De sociale partners doen geen invaarverzoek. Dit kan indien sociale partners van oordeel zijn dat invaren onevenredig ongunstig is voor deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden, pensioengerechtigden of de werkgever. De onderbouwing van dit besluit wordt door sociale partners opgenomen in het transitieplan. Het pensioenfonds meldt de sociale partners of het deze analyse en onderbouwing deelt en informeert de organen van het pensioenfonds hierover.

  2. De sociale partners doen bij het pensioenfonds een verzoek tot invaren maar het pensioenfonds besluit om dit verzoek af te wijzen. Een pensioenfonds kan het verzoek afwijzen om een van deze drie redenen:
    • Het pensioenfonds oordeelt dat de effecten van de voorgenomen wijzigingen ten aanzien van het pensioen als geheel tot onevenwichtig nadeel zou leiden voor deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden of pensioengerechtigden.
    • Er is sprake van strijd met wettelijke voorschriften.
    • Het verzoek is niet uitvoerbaar binnen de grenzen van een beheerste en integere bedrijfsvoering.

Medezeggenschap en intern toezicht bij besluitvorming over invaren

Verantwoordingsorgaan

Het pensioenfonds stelt op grond van artikel 150m, lid 4 Pw, het verantwoordingsorgaan in de gelegenheid advies uit te brengen over het voorgenomen invaarbesluit. Het advies van het verantwoordingsorgaan wordt op een zodanig tijdstip gevraagd dat het van wezenlijke invloed kan zijn op het besluit. Bij het vragen van advies wordt aan het verantwoordingsorgaan een overzicht verstrekt van de beweegredenen voor het besluit en van de gevolgen die het besluit naar verwachting zal hebben voor de deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden. Het pensioenfonds verstrekt het verantwoordingsorgaan op grond van artikel 46b, tweede lid Besluit uitvoering Pw en Wvb ook ten minste de volgende informatie: 

  1. het voorgenomen besluit tot invaren, waarbij ten minste wordt ingegaan op de volgende onderwerpen:
    1. indien van toepassing, de onderbouwing van het toepassen van de vba-methode
      voor de waardering van de pensioenaanspraken en pensioenrechten en het aanwenden
      van het vermogen
    2. hoe invulling wordt gegeven aan de aan de keuzes die een fonds op grond van artikel 150n Pw kan maken
    3. indien van toepassing: de hoogte van de initiële vulling van het compensatiedepot
    4. indien van toepassing: de initiële vulling van de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve

  2. hoe zal worden omgegaan met arbeidsongeschiktheidspensioen, premievrije
    voortzetting en nabestaandenpensioen;

  3. informatie over het besluitvormingsproces;

  4. de kwantitatieve effecten van invaren;

  5. de overwegingen en afwegingen van het fonds bij het voorgenomen besluit en een motivering waarom de effecten evenwichtig worden geacht;

  6. de gewijzigde pensioenovereenkomst dan wel beroepspensioenregeling;

  7. de afspraken met betrekking tot compensatie

  8. de transitie-effecten van de totale transitie in termen van netto profijt per leeftijdscohort in hele geboortejaren en in termen van de pensioenverwachting per leeftijdscohort in hele geboortejaren die, voor zover het ouderdomspensioen betreft, wordt weergegeven op basis van een pessimistisch, verwacht en optimistisch scenario, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden.

Als het verantwoordingsorgaan (of een geleding binnen het verantwoordingsorgaan) negatief adviseert over het voorgenomen invaarbesluit, dan informeert het pensioenfonds op grond van artikel 150m, vijfde lid Pw de sociale partners die het verzoek tot collectieve waardeoverdracht hebben gedaan hierover en vraagt de sociale partners het verzoek tot waardeoverdracht te heroverwegen met inachtneming van het advies van het verantwoordingsorgaan (of een geleding van het verantwoordingsorgaan). De sociale partners onderbouwen het resultaat van hun heroverweging. In het verantwoordingsorgaan zitten vertegenwoordigers van deelnemers en pensioengerechtigden (artikel 115 Pw), dat zijn in ieder geval geledingen. Vertegenwoordigers van gewezen deelnemers (115, lid 4 Pw) en/of de werkgever (115, lid 2 Pw) kunnen zitting hebben in het verantwoordingsorgaan en kunnen dan ook als geleding aangemerkt worden.

Belanghebbendenorgaan

Het pensioenfonds heeft op grond van artikel 150m, lid 6 Pw de goedkeuring nodig van het belanghebbendenorgaan voor elk voorgenomen besluit met betrekking tot invaren. De informatieverstrekking aan het belanghebbendenorgaan is hetzelfde als hiervoor beschreven voor het verantwoordingsorgaan.

Intern toezicht

Op grond van artikel 150m, lid 3 Pw houdt het intern toezicht bij een pensioenfonds toezicht op het invaren en legt hierover verantwoording af in het bestuursverslag. In aanvulling daarop heeft het pensioenfonds op grond van artikel 150m, lid 7 Pw de goedkeuring nodig van de raad van toezicht voor elk voorgenomen besluit met betrekking tot invaren. De informatieverstrekking aan de raad van toezicht is hetzelfde als hiervoor beschreven voor het verantwoordingsorgaan. Aan het intern toezicht wordt daarnaast, op grond van artikel 46b, lid 3 Besluit uitvoering Pw en Wvb het advies van het verantwoordingsorgaan of de reactie van het belanghebbendenorgaan op het verzoek tot goedkeuring verstrekt.

Indiening bij DNB van voornemen tot invaren tezamen met implementatieplan

De besluitvorming door het pensioenfonds over de opdrachtaanvaarding van de pensioenregeling en over invaren moet vóór 1 juli 2025 zijn afgerond. Uiterlijk op die datum moet een pensioenfonds het implementatieplan bij DNB indienen.

Het voornemen tot invaren wordt door het pensioenfonds onverwijld nadat het besluit tot invaren is genomen, maar uiterlijk zes maanden voor de beoogde datum van invaren, elektronisch gemeld aan DNB. DNB heeft vanaf de melding bij DNB tot de beoogde invaardatum de bevoegdheid om een verbod op te leggen op invaren. DNB kan de beoordelingstermijn gemotiveerd verlengen met maximaal twee maal drie maanden.

Het pensioenfonds dient het implementatieplan in bij DNB binnen twee weken nadat het plan door het bestuur is vastgesteld. Het voorgenomen besluit tot invaren moet samen met het implementatieplan (binnen twee weken na vaststelling) uiterlijk 1 juli 2025 bij DNB worden ingediend. DNB heeft in de Regeling melden interne collectieve waardeoverdracht pensioenfondsen bij transitie nader uitgewerkt welke informatie/stukken nodig zijn om de melding in behandeling te nemen. Het communicatieplan is onderdeel van het implementatieplan, maar wordt door het pensioenfonds op grond van artikel 46, lid 6 en artikel 46a, lid 6, Besluit uitvoering Pw en Wvb niet bij DNB maar rechtstreeks bij de AFM ingediend. De AFM is de toezichthouder op het communicatieplan.

Voor de status van deze beleidsuiting en uitleg daarover kunt u de leeswijzer beleidsuitingen DNB raadplegen.

Relevante wet- en regelgeving

  • Artikel 52b Pensioenwet (Pw)
  • Artikel 102a lid 1 jo. lid 3 Pw
  • Artikel 105 Pw
  • Artikel 143 Pw
  • Artikel 150b Pw
  • Artikel 150l lid 1 t/m 4 en 7 Pw
  • Artikel 150m Pw
  • Artikel 63b Wet verplichte beroepspensioenregeling (Wvb)
  • Artikel 109a lid 1 jo. lid 3 Wvb
  • Artikel 110b Wvb
  • Artikel 138 Wvb
  • Artikel 145b Wvb
  • Artikel 145l lid 1 t/m 4 en 7 Wvb
  • Artikel 145m Wvb
  • Artikel 46b Besluit Uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

Ontdek gerelateerde artikelen